Winterwas

Uit: Kort en klein

Bijdrage van Henk Joosen*

Mijn buurman heeft een hobby. Hij vertroetelt zijn au­to. Met spons, sop en de hele mikmak. Elke week weer. Zelfs strenge winters houden hem niet tegen. Fluiten totdat hij glimt, dat is het concept. Ik zou daar een voorbeeld aan moeten nemen.

Een mooi-weer-poetser, zo zou je me gerust kunnen noemen. Op warme zomerdagen wil ik aan de straatkant nog wel eens met een tuinslang spelen. Liever ga ik naar zo’n halfautomatische accommo­datie. Tien minuten in de weer met bor­stels en spuitstukken. Dat is goed op te brengen. En daarna een druipend rondje rijden om op te drogen. Eenmaal voor de deur glanst mijn automobiel weer fel­rood als in ’66.

De herfst is fantastisch. Elke regenbui zie ik als een energieneutrale wasbeurt. Niks meer aan doen. Maar gure wintermaanden met vorst en overijverige strooi­diensten veranderen mijn rijtuig in een vaal gevaarte met bijpassende grauwsluier. Dat kan ik vrij lang aanzien, maar er zijn grenzen.

Afgelopen vrijdag las ik een folder van een nabijgelegen wasgelegenheid. Of ik mijn auto geen Win­terwas gunde!? Voor dik een tientje. Je voertuig kreeg een speci­ale anti-zout winterpoetsbeurt, een beschermende wax en zelfs aan de bodem werd gedacht. En het Super nadrogen zou mijn droogrijrit bovendien overbodig maken. Dat kon ik niet laten schieten.

‘Een Winterwas, graag,’ zei ik tegen de man met het mobiele pinapparaat. Door het naar beneden gedraaide raampje rekende ik af. Even verderop gebaarde een man met een hogedrukspuit en lies­laarzen tot aan zijn oksels dat hij mijn wieldoppen schoon wilde spuiten. Mooi! Daarna dirigeerde hij me naar een soort rollator. Motor uit en achteroverleunen. Kan het gemakkelijker?

Langzaam gleden we een rustgevend sprenkelbuitje in. Het gespetter veranderde in een dof geplof. Een vriendelijke lawine van spierwit schuim kletste op de welvende motorkap. Tollende borstels poetsten metaal en glas. Ik genoot van de Winterwas, van het geluid van stromend water. Ik kon het haast voelen.

Haast? Meteen opende ik mijn ogen en riep iets wat ik mijn kinderen nooit heb geleerd. Het paste prima bij doorweekte sokken, drijfnatte schoenen en een klotsende waterval onder mijn dashboard. Was dit de beloofde bodembeurt?

Zuchtend draaide ik me om en zag hem daar zitten op de hoedenplank. Met zijn licht wie­gende kopje, de schrik in zijn bange bolle ogen. ‘Het komt allemaal goed, Flip,’ was het eerste wat ik ooit tegen hem zei. Maar ik voelde dat het nu moest.

Tussen het dweilen en deppen door scoorde ik die middag in een speelgoedzaak nog een stoere badeend. Voor Flip, een maatje op zijn plank. Hij heeft het me natuurlijk niet verteld, maar ik wil het graag geloven. Met een badeend als buur ben je nooit meer bang.

 

Henk Joosen

uit de serie Kort en klein

www.HenkTekst.nl

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.